Wolfijzers en schietgeweren

Minne, Richard. [Edited by Herreman, Raymond – Roelants, Maurice]. Wolfijzers en schietgeweren. een nieuwe verzameling verzen van Richard Minne, den dichter van In den Zoeten Inval. Verder eenige verhalen benevens een serie epistelen over den nood en de nijdigheden, de hoop en de zoetheid, de wijsheid en de argeloosheden van den dichter en den mensch, dit alles bijeengegaard door R. Herreman en M. Roelants, met een inleiding en een bloemlezing. Brussel / Rotterdam: A. Manteau / Nijgh & Van Ditmar, 1942. Printed by Steenlandt, Brussel. 178 pages. 1 Volume. [First Edition]. 16,5 cm. x 25,5 cm. Softcover. Sewn binding. Condition: Fine.

65,00

In stock

Product ID: 4129 SKU: SKU-1185 Categories: , ,

Dutch:

Richard Minne (Gent, 30 november 1891 – Gent, 8 oktober 1965) was een Vlaamse dichter, schrijver en journalist, bekend om zijn scherpe ironie, melancholie en krachtige proza. Minne begon zijn literaire carrière als een rebelse en activistische dichter, maar na teleurstellingen in zijn leven keerde hij zich tot het journalistieke werk. Hij werd door zijn tijdgenoten, zoals Willem Elsschot en later Louis Paul Boon, zeer gewaardeerd om zijn unieke stem in de Vlaamse literatuur.

Wolfijzers en schietgeweren was het derde boek dat onder de naam van Richard Minne verscheen, na de verzen In den zoeten inval (1926/1927) en het proza Heineke Vos en zijn biograaf (1933). Het boek is samengesteld door zijn beste vriend Raymond Herreman en Maurice Roelants. Als het van de schrijver zelf had afgehangen, zou er bij leven waarschijnlijk nauwelijks iets van zijn hand zijn verschenen. De bundel bestaat uit een stevig voorwoord van Roelants, brieffragmenten, verzen (o.a. uit In den Zoeten Inval) en drie verhalen. Het citaat in het begin van deze tekst komt uit de inleiding (Imprimatur in den blinde), waarin Minne de samenstellers – in wie hij blind vertrouwen had gesteld – dankt voor hun bloemlezing.

Minne’s werk, vooral de thematisch geordende brieffragmenten, maakte ophef omdat de publicatie van dergelijke privégeschriften nieuw was in de Vlaamse letteren. Hij beschrijft zijn worstelingen als dichter, eenzaam levend op het platteland tussen zijn geit en bieten, en zijn strijd met zijn dichterschap. De titel van het boek verwijst naar de obstakels tussen Minne en het schrijven zelf, en tussen de schrijver en de publicatie.

Minne werd bij leven gewaardeerd door een bescheiden schare lezers in zowel Noord als Zuid, en door generatiegenoten zoals Elsschot. Later werd hij ook gewaardeerd door Boon, ondanks Boon’s bezwaar in 1946 tegen het toekennen van de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza aan Wolfijzers wegens te weinig ‘proza’. Boon noemde hem een ‘gekwelde scepticus’. Minne’s onnavolgbare mix van ironie, melancholie en esprit blijft echter bekoren. Jeroen Brouwers typeerde Minne ooit als de ‘boerse broer van Elsschot’ en de ‘Vlaamse neef van Nescio’, maar dan grimmiger, ongepolijster, Vlaamser en vooral Gents.

Minne, begonnen als rebel en activist, werd een dichter-boer. Toen ook dat hem ontgoochelde, eindigde hij als journalist. Zijn leven lang hunkerde hij naar ‘een sinecuur tussen Leie en Schelde’. Deze bedrogen idealist behoorde uiteindelijk tot geen enkele club of coterie. Hij schreef buiten de literaire modes, geloofde in de literatuur van de groten (Gogol, Tsjechov) maar niet in die van zichzelf, droomde van een Vlaamse ‘Stendhal-club’ en bewonderde Paul Léautaud en Cyriel Buysse. Hij bleef koppig volks, dwars en bars, vaak schamperend. Vlaanderen vond hij te klein en te bekrompen. Het laatste verhaal in Wolfijzers (‘De lijkrede’) ventileert zijn sombere opvattingen over de staat van de Vlaamse poëzie en cultuur.

English:

Richard Minne (Ghent, November 30, 1891 – Ghent, October 8, 1965) was a Flemish poet, writer, and journalist, known for his sharp irony, melancholy, and powerful prose. Minne began his literary career as a rebellious and activist poet, but after disappointments in life, he turned to journalism. He was highly regarded by his contemporaries, such as Willem Elsschot and later Louis Paul Boon, for his unique voice in Flemish literature.

Wolfijzers en schietgeweren was the third book published under Richard Minne’s name, following the poetry collection In den zoeten inval (1926/1927) and the prose Heineke Vos en zijn biograaf (1933). The book was compiled by his best friend Raymond Herreman and Maurice Roelants. If it had been up to Minne himself, hardly any of his work would have been published during his lifetime. The collection includes a substantial foreword by Roelants, letter fragments, poems (including some from In den Zoeten Inval), and three stories. The quote at the beginning of this text comes from the introduction (Imprimatur in den blinde), in which Minne thanks the compilers – in whom he had placed blind trust – for their anthology.

Minne’s work, especially the thematically arranged letter fragments, caused a stir as the publication of such private writings was new in Flemish literature. He describes his struggles as a poet, living alone in the countryside between his goat and beets, and his battle with his poetry. The title of the book refers to the obstacles between Minne and writing itself, and between the writer and publication.

Minne was appreciated during his lifetime by a modest group of readers in both the North and the South, and by contemporaries such as Elsschot. Later, he was also appreciated by Boon, despite Boon’s objection in 1946 to awarding the Triennial State Prize for Prose to Wolfijzers due to insufficient ‘prose’. Boon called him a ‘tormented skeptic’. However, Minne’s inimitable mix of irony, melancholy, and wit continues to charm. Jeroen Brouwers once described Minne as the ‘rustic brother of Elsschot’ and the ‘Flemish cousin of Nescio’, but grimmer, rougher, more Flemish, and especially more Gents.

Minne, who began as a rebel and activist, became a farmer-poet. When that also disappointed him, he ended up as a journalist. Throughout his life, he longed for ‘a sinecure between the Leie and the Schelde’. This disillusioned idealist ultimately belonged to no club or coterie. He wrote outside literary fashions, believed in the literature of the greats (Gogol, Chekhov) but not in his own, dreamed of a Flemish ‘Stendhal club’, and admired Paul Léautaud and Cyriel Buysse. He remained stubbornly folksy, contrary, and gruff, often sneering. He found Flanders too small and narrow-minded. The last story in Wolfijzers (‘De lijkrede’) expresses his gloomy views on the state of Flemish poetry and culture.

Dimensions 25,5 × 16,5 cm