Wolfijzers en schietgeweren
Minne, Richard

,

Minne, Richard. [Edited by Herreman, R. – Roelants, Maurice]. Wolfijzers en schietgeweren. een nieuwe verzameling verzen van Richard Minne, den dichter van In den Zoeten Inval. Verder eenige verhalen benevens een serie epistelen over den nood en de nijdigheden, de hoop en de zoetheid, de wijsheid en de argeloosheden van den dichter en den mensch, dit alles bijeengegaard door R. Herreman en M. Roelants, met een inleiding en een bloemlezing. Brussel / Rotterdam: A. Manteau / Nijgh & Van Ditmar, 1942. Printed by Steenlandt, Brussel. 178 pages. Volumes: 1 volume. First Edition. 17 cm. x 25 cm.
Condition: Fine. Hardcover with Dust Jacket.

SUMMARY:
Wolfijzers en schietgeweren was het derde boek dat onder de naam van Richard Minne verscheen (na de verzen In den zoeten inval, 1926/1927; en het proza Heineke Vos en zijn biograaf, 1933). Hij heeft het boek evenwel zelf niet gepland: het is samengesteld door zijn beste vriend Raymond Herreman en door Maurice Roelants. Als het van de schrijver zelf had afgehangen, was er bij leven waarschijnlijk nauwelijks iets van zijn hand verschenen.

Wolfijzers en schietgeweren bestond uit een stevig voorwoord van Roelants, brieffragmenten, verzen (o.a. uit In den Zoeten inval) en drie verhalen. Het citaat in het begin van deze tekst komt uit de inleiding (Imprimatur in den blinde), waarin Minne de samenstellers – in wie hij blind vertrouwen had gesteld – dankt voor hun bloemlezing. Vooral de thematisch geordende brieffragmenten maakten ophef. De publicatie van deze niet voor de openbaarheid bestemde schrijfsels was nieuw in de Vlaamse letteren. Hier was een ‘vent’ aan het woord, een gekwelde schrijver die, eenzaam levend op het platteland, tussen zijn geit en bieten, worstelde met zijn dichterschap. De titel, een opschrift in kasteelparken ‘om wildstropers en zwervers te waarschuwen voor verborgen klemmen en zelfvurende roeren’ (Karel Jonckheere), slaat op de obstakels tussen Minne en het schrijven zelf, tussen de schrijver en de publicatie – op het geworstel dus. Volgens Minne betekende het: ‘Oppassen, betreed het terrein niet of er kan u iets onaangenaams overkomen!’

Minne werd bij leven gewaardeerd door een bescheiden schare lezers in Noord en Zuid en door generatiegenoten als Elsschot. Later ook door Boon, al had die in 1946 bezwaar tegen het toekennen van de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza aan Wolfijzers wegens te weinig ‘proza’. Boon noemde hem een ‘gekwelde scepticus’. Maar het is vooral de onnavolgbare mix van ironie, melancholie en esprit  die blijven bekoren. Jeroen Brouwers typeerde Minne ooit als de ‘boerse broer van Elsschot’ en de ‘Vlaamse neef van Nescio’,  maar dan grimmiger, ongepolijster, Vlaamser en vooral Gents. Deze schrijver staat met liefde op en gaat met haat slapen.

Begonnen als rebel en activist, werd Minne een dichter-boer. Toen ook dat hem ontgoochelde, eindigde hij als journalist. Terwijl hij zijn hele leven had gehunkerd naar ‘een sinecuur tusschen Leie en Schelde’.
Deze bedrogen idealist behoorde uiteindelijk tot geen enkele club of coterie. Hij schreef buiten de literaire modes, geloofde in de literatuur van de groten (Gogol, Tsjechov) maar niet in die van zichzelf, droomde van een Vlaamse ‘Stendhal-club’ (die er nooit kwam) en bewonderde Paul Léautaud en Cyriel Buysse.
Hij bleef koppig volks, dwars en bars, vaak schamperend. Vlaanderen vond hij te klein en te bekrompen. Het laatste verhaal in Wolfijzers (‘De lijkrede’) ventileert zijn sombere opvattingen over de staat van de Vlaamse poëzie en cultuur. Sippe Danneels, een schilder, volgt de lijkstoet van zijn vriend, de dichter. De lijkbidders en enkele schaarse familieleden druipen af bij het open graf. Niemand houdt een toespraak. Tenzij: ‘ – Guust…Guust jongen… stottert Sippe Danneels… Guust ’t is…’t is…ha, nondedju!… Het giet water.’
.

75,00

General

Full TitleWolfijzers en schietgeweren
Sub-titleeen nieuwe verzameling verzen van Richard Minne, den dichter van In den Zoeten Inval. Verder eenige verhalen benevens een serie epistelen over den nood en de nijdigheden, de hoop en de zoetheid, de wijsheid en de argeloosheden van den dichter en den mensch, dit alles bijeengegaard door R. Herreman en M. Roelants, met een inleiding en een bloemlezing
LanguageDutch
Original LanguageDutch

Creators

AuthorsMinne, Richard
EditorsHerreman, R. - Roelants, Maurice

Imprint

PublisherA. Manteau / Nijgh & Van Ditmar
Publishing PlaceBrussel / Rotterdam
PrinterSteenlandt
Printing PlaceBrussel
Release Year1942

Description

H x L x W17 x 0 x 25 cm
Pages178
Volumes1 volume
Cover FormatHardcover with Dust Jacket
ConditionFine

Editorial

EditionFirst Edition

Info

SummaryWolfijzers en schietgeweren was het derde boek dat onder de naam van Richard Minne verscheen (na de verzen In den zoeten inval, 1926/1927; en het proza Heineke Vos en zijn biograaf, 1933). Hij heeft het boek evenwel zelf niet gepland: het is samengesteld door zijn beste vriend Raymond Herreman en door Maurice Roelants. Als het van de schrijver zelf had afgehangen, was er bij leven waarschijnlijk nauwelijks iets van zijn hand verschenen. Wolfijzers en schietgeweren bestond uit een stevig voorwoord van Roelants, brieffragmenten, verzen (o.a. uit In den Zoeten inval) en drie verhalen. Het citaat in het begin van deze tekst komt uit de inleiding (Imprimatur in den blinde), waarin Minne de samenstellers – in wie hij blind vertrouwen had gesteld – dankt voor hun bloemlezing. Vooral de thematisch geordende brieffragmenten maakten ophef. De publicatie van deze niet voor de openbaarheid bestemde schrijfsels was nieuw in de Vlaamse letteren. Hier was een ‘vent’ aan het woord, een gekwelde schrijver die, eenzaam levend op het platteland, tussen zijn geit en bieten, worstelde met zijn dichterschap. De titel, een opschrift in kasteelparken ‘om wildstropers en zwervers te waarschuwen voor verborgen klemmen en zelfvurende roeren’ (Karel Jonckheere), slaat op de obstakels tussen Minne en het schrijven zelf, tussen de schrijver en de publicatie – op het geworstel dus. Volgens Minne betekende het: ‘Oppassen, betreed het terrein niet of er kan u iets onaangenaams overkomen!’ Minne werd bij leven gewaardeerd door een bescheiden schare lezers in Noord en Zuid en door generatiegenoten als Elsschot. Later ook door Boon, al had die in 1946 bezwaar tegen het toekennen van de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza aan Wolfijzers wegens te weinig ‘proza’. Boon noemde hem een ‘gekwelde scepticus’. Maar het is vooral de onnavolgbare mix van ironie, melancholie en esprit  die blijven bekoren. Jeroen Brouwers typeerde Minne ooit als de ‘boerse broer van Elsschot’ en de ‘Vlaamse neef van Nescio’,  maar dan grimmiger, ongepolijster, Vlaamser en vooral Gents. Deze schrijver staat met liefde op en gaat met haat slapen. Begonnen als rebel en activist, werd Minne een dichter-boer. Toen ook dat hem ontgoochelde, eindigde hij als journalist. Terwijl hij zijn hele leven had gehunkerd naar ‘een sinecuur tusschen Leie en Schelde’. Deze bedrogen idealist behoorde uiteindelijk tot geen enkele club of coterie. Hij schreef buiten de literaire modes, geloofde in de literatuur van de groten (Gogol, Tsjechov) maar niet in die van zichzelf, droomde van een Vlaamse ‘Stendhal-club’ (die er nooit kwam) en bewonderde Paul Léautaud en Cyriel Buysse. Hij bleef koppig volks, dwars en bars, vaak schamperend. Vlaanderen vond hij te klein en te bekrompen. Het laatste verhaal in Wolfijzers (‘De lijkrede’) ventileert zijn sombere opvattingen over de staat van de Vlaamse poëzie en cultuur. Sippe Danneels, een schilder, volgt de lijkstoet van zijn vriend, de dichter. De lijkbidders en enkele schaarse familieleden druipen af bij het open graf. Niemand houdt een toespraak. Tenzij: ‘ – Guust…Guust jongen… stottert Sippe Danneels… Guust ’t is…’t is…ha, nondedju!... Het giet water.’

Identifiers

SKUSKU-1187